
Al verschillende keren heb ik hier verslag gedaan van mijn pogingen om met behulp van bebedouros (waterreservoirs aan een koordje) vogels en dan met name kolibri’s (beija-flores of vogelkussers) aan mij te verplichten. Daar heb ik een groot succes mee geboekt. Het gaat nu zover dat als ik een keer ‘s ochtends niet vroeg genoeg het water ververs, verschillende beija-flores door een open raam naar binnen komen en mijn aandacht proberen te trekken. Vaak zeilen ze vervolgens door de gang om aan de andere kant het huis te verlaten.
In het begin kwam er af en toe ook weleens een cambacica of suikerdiefje aan een van de bebedouros hangen (zie eerste foto), maar de beija-flores maakten er het drukst gebruik van. Dat is dit jaar ingrijpend veranderd. Ik wist wel dat dieren hun vermenigvuldigingsgraad laten afhangen van het voedselaanbod, maar dat het zulke vormen kon aannemen als bij de cambacicas had ik niet verwacht. In plaats van de drie of vier suikerdiefjes van een jaar geleden zitten er in de limoenenboom onder mijn veranda nu minstens tien en misschien wel vijftien van die vogeltjes. Ze ‘plunderen’ de bebedouros en dikwijls duurt het een maar een uur of twee voordat ze met zijn allen een hele bebedouro hebben leeggedronken.
De beija-flores, toch mijn grootste favorieten, kwamen er bijna niet meer aan te pas. Nu voer ik af en toe een verbeten strijd met de suikerdiefjes, als die de bebedouro bij het keukenraam, door mij speciaal bestemd voor de beija-flores, belagen. Ik klap hard in mijn handen, roep kssssssssstttttttt, grauw zelfs af en toe en probeer daarmee het verblijf ‘aan de bar’ voor de cambacicas te veronaangenamen. Anders dan de kolibri’s staan zij niet in de lucht stil om hun tong in de bloemsteeltjes te prikken, ze grijpen zich aan een plastic bloem of een uitstekende rand van de bebedouro vast. Dus heb ik een bebedouro zonder onderrand gekocht en van een andere de rand afgezaagd en bijgeschuurd. Het helpt allemaal maar even, want één van de cambacicas probeert nu ook in de lucht stil te staan. Ik denk dat hij Darwin dit jaar extra eer wil aandoen.

Naast de bebedouros heb ik een voedertafeltje geïnstalleerd op de rand van de veranda. Ook daarmee heb ik snel succes geoogst. Eerst verscheen er dagelijks een paartje blauwgevleugelde sanhaçus-cinzentos, vervolgens ook een paar mosterdgroene sanhaçus-do-coqueiro, nog wat later een stelletje sanhaçus-de-encontro-amarelo en een paartje van de saíra-amarela. (De sanhaçu is een hier veel voorkomende vogel met veel variaties, die in het Engels tanager wordt genoemd. Ze hebben gemiddeld een formaat van 16-18cm, denk aan een leeuwerik. De saíra-amarela is een slagje kleiner.). Een enkele keer landt er een bem-te-vi (ik-zag-je-wel) op het tafeltje. Dat is een iets groter en brutaler type, waarvoor de anderen even aan de kant gaan. Hij gedraagt zich een beetje als een ekster.
Ze doen zich allemaal gretig te goed aan een banaan en een halve mamão (papaya). En ben ik ‘s morgens niet snel genoeg, dan kijken ze vanaf de voedertafel met een licht-beschuldigende blik naar de deuren van de veranda.
Ook die voedertafel werkt als een vermenigvuldigingsfactor: alle genoemde paartjes zijn inmiddels al met nageslacht aan tafel verschenen.
Het hoort bij deze tijd van het jaar dat er heel veel regen naar beneden komt. Om de haverklap moest ik het voederbakje van de tafel grissen om inregenen te voorkomen. Toen de regen dreigde niet meer op te houden, riep ik een sombrinha of parasolletje te hulp waarvan het mechaniek was verminkt. Omdat het, vastgebonden aan het hekwerk van de veranda, scheef woei, heb ik het vastgezet in de voedertafel zelf. Dat werkte beter, maar inmiddels heeft het afdakje dank zij een hevige windvlaag al een ander model dan op de foto. Nóg zo’n windvlaag en er moet een volgend parasolletje aan te pas komen.


